De officiële erkenning van de verschijningen: 1862
Lees de kroniek van de achttien verschijningen
Op 18 januari 1862 publiceert de bisschop van Tarbes een herderlijke brief waarin hij officieel de verschijningen van Lourdes erkent. Na een beschrijvende herinnering aan de verschijningen, legt de bisschop de wijze traagheid van de Kerk uit, in verband met een oordeel over bovennatuurlijke feiten: zij vraagt om stevige bewijzen vooraleer ze te aanvaarden en ze goddelijk te noemen, want de duivel kan de mens in verwarring brengen en zich vermommen als een engel van het licht: “Wij hebben ons laten inspireren door de Commissie, samengesteld uit wijze, vrome, geleerde priesters met veel ervaring, die het kind hebben ondervraagd, de feiten bestudeerd, alles onderzocht en afgewogen. Wij hebben ook beroep gedaan op de wetenschap, en wij zijn overtuigd gebleven dat de Verschijning bovennatuurlijk en goddelijk is, en dat bijgevolg datgene wat Bernadette heeft gezien, de allerheiligste Maagd is. Onze overtuiging steunt op het getuigenis van Bernadette, maar vooral op de feiten die zich hebben voorgedaan, en die alleen maar een verklaring vinden in een goddelijke tussenkomst”.
“Wij oordelen dat de Onbevlekte Maria, Moeder van God, werkelijk aan Bernadette Soubirous is verschenen, op 11 februari 1858 en de dagen erna, samen achttien keer, in de grot van Massabielle, juist buiten Lourdes; deze verschijning draagt in zich alle kenmerken van de waarheid. De gelovigen worden tot geloof opgeroepen. Nederig onderwerpen wij ons oordeel aan het Oordeel van de paus, die belast is met de leiding van de Wereldkerk”.
Uittreksel uit het Herderlijk schrijven van Mgr. Laurence van 18 januari 1862
Het eerste argument van de bisschop is dat Bernadette niet heeft willen bedriegen: zij is oprecht en haar getuigenis bezit alle garanties die we kunnen verlangen. “Wie bewondert in haar niet de eenvoud, de oprechtheid en de bescheidenheid van dat kind? Zij spreekt alleen wanneer men haar ondervraagt; dan vertelt zij zonderstemverheffing, met een ontroerende ongekunsteldheid, en op de vele vragen die men haar stelt, geeft zij klare, duidelijke en ter zake doende antwoorden, getekend door een sterke overtuiging”.
En de bisschop onderstreept daarbij dat Bernadette noch door bedreigingen noch door genereuze aanbiedingen in de war werd gebracht. “Nooit sprak zij zichzelf tegen tijdens de verschillende ondervragingen die ze moest ondergaan, steeds vasthoudend aan wat ze had gezegd, zonder er iets aan toe te voegen of weg te laten. De oprechtheid van Bernadette kan niet in twijfel worden getrokken”. Maar de bisschop gaat verder in zijn argumentatie: oprecht was ze, en ze heeft zich niet vergist: “Als Bernadette niemand heeft willen bedriegen, kan ze dan zichzelf niet hebben bedrogen? Heeft zij niet geloofd te zien en te horen wat ze niet heeft gezien of gehoord? Was zij niet het slachtoffer van een zinsverbijstering? Hoe zouden wij haar kunnen geloven? De wijsheid van haar antwoorden openbaart in dat kind een gezonde geest, een kalme verbeelding, meer gezond verstand dan haar leeftijdgenoten. Haar geloofsbeleving was bij haar nooit overdreven te noemen; men stelde bij het jonge meisje geen intellectuele wanorde, geen zinsverbijstering of afwijkend gedrag vast, geen neiging naar het ziekelijke dat aanleiding kon geven tot het ontwikkelen van ingebeelde wezend”.
En verder verwijst de bisschop er ook nog op dat Bernadette niet één keer, maar 18 verschijningen heeft gehad, onverwacht, waarbij niets er haar op had voorbereid, en dat op andere momenten, waarop ze de verschijning verwachtte, ze juist helemaal niets zag. Hij verwijst ook naar de veranderende gelaatsuitdrukkingen tijdens de verschijningen en dat ze dan een taal hoorde die ze niet altijd begreep, maar ze zich toch herinnerde: “Al deze omstandigheden samen laten niet toe te geloven in een hallucinatie; het jonge meisje heeft dus werkelijk een wezen gezien en gehoord, dat zegt de Onbevlekte Ontvangenis te zijn; dat fenomeen kan niet op natuurlijke wijze worden verklaard, waardoor wij op gefundeerde wijze kunnen geloven dat de verschijning van bovennatuurlijke aard is!”.
De wondere daden van de genade
Aansluitend op het getuigenis van Bernadette verwijst de bisschop naar “de wonderbaarlijke feiten die plaatsvonden sinds het eerste gebeuren. Indien men de boom aan zijn vruchten moet beoordelen, dan kunnen we zeggen dat de verschijning, die door het jonge meisje werd verteld, bovennatuurlijk en goddelijk is; zij heeft immers bovennatuurlijke en goddelijke gevolgen voortgebracht”.
De bisschop herinnert aan de groeiende en biddende menigte tijdens de verschijningen, en dat na de verschijningen “de pelgrims van de verre kantons en van de buurlanden naar de Grot zijn gekomen… om te bidden en gunsten te vragen aan de Onbevlekte Maagd Maria. Christelijke zielen zijn gesterkt in de deugd, onverschillige mannen zijn teruggekeerd tot de geloofspraktijk; koppige pelgrims hebben zich met God verzoend nadat men voor hen tot O.L.Vrouw van Lourdes had gebeden. Deze wonderen van de genade, die van universele en blijvende aard zijn, kunnen alleen maar God als maker hebben: bevestigen zij bijgevolg niet de waarheid van de verschijningen?”
Na de vermelding van deze wondere daden, die werden bewerkt “voor het goed van de zielen” gaat de bisschop over naar de gevolgen voor de gezondheid van het lichaam, vooral bij de zieken die, nadat ze Bernadette hebben zien drinken en zich wassen op de plaats die de verschijning haar had aangeduid, zich afvragen of dit geen aanduiding was van een bovennatuurlijke deugd die was neergedaald op de bron van Massabielle. “Vanuit die gedachte probeerden de zieken te drinken van het water van de Grot, en het was niet zonder succes; meerdere mensen, van wie de ziekte weerstand bood aan de zwaarste behandelingen, vonden hier ogenblikkelijk de gezondheid terug.
Deze buitengewone genezingen vonden een immense weerklank… Zieken uit heel het land vroegen om het water van Massabielle… Wij kunnen hier niet de lijst weergeven van alle ontvangen gunsten, maar we moeten wel zeggen dat het water van Massabielle verlaten en ongeneesbaar geachte zieken heeft genezen. Deze genezingen zijn verkregen door het gebruik van een water dat geen enkele natuurlijke geneeskracht bezit, volgens het verslag van scheikundigen die het water heel grondig hebben onderzocht”. Deze genezingen zijn blijvend, preciseert Mgr. Laurence nog, en vraagt zich af wie ze heeft veroorzaakt: “De wetenschap, die hierover werd geraadpleegd, heeft negatief geantwoord. Deze genezingen zijn dus het werk van God”. Welnu, merkt de bisschop nog op, zij zijn rechtstreeks verbonden met de verschijning die aan het begin staat en die het vertrouwen van de zieken heeft opgewekt.
Het oordeel van de bisschop
En zo besluit dan de bisschop: “Er is dus een nauwe band tussen de genezingen en de verschijning; de verschijning is goddelijk, want de genezingen hebben een goddelijk karakter. Maar wat van God komt is waarheid! Bijgevolg, de Verschijning die zich Onbevlekte Ontvangenis noemt, dat wat Bernadette heeft gezien en gehoord, is de Allerheiligste maagd Maria. Laten we het dus uitroepen: Gods hand is hier aanwezig!”.
Verwijzend naar de afkondiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis, door Pius IX op het einde van het jaar 1854, roept hij nog uit: “En zo, drie jaar later verschijnt de heilige Maagd aan een kind, en zegt: “Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis… Ik wil dat men ter mijner ere hier een kapel bouwt”. Lijkt dit niet alsof ze met een monument de onfeilbare uitspraak van de opvolger van de heilige Petrus heeft willen heiligen?”
De verschijningen in de Kerk
Deze beoordeling door de Kerk is essentieel, want de verschijningen voegen niets toe aan het credo of aan het Evangelie: zij zijn er een verwijzing naar, voor een tijd die er toe neigt ze te vergeten, iets als een profetisch bezoek aan onze wereld. God wil onze aandacht helemaal niet vastpinnen op het wonderbaarlijke of het buitengewone: door de verschijningen geeft Hij ons een teken, opdat wij terugkeren naar het Evangelie, dat het Woord van zijn Zoon is, het Woord van Leven. De overeenstemming van de boodschap met het Evangelie, de authenticiteit van het leven van de getuige, de vruchten van heiligheid die er uit voortvloeien voor het Godsvolk: dat zijn de criteria voor de echtheid van een verschijning in de Kerk.








